loader

Recensie van het boek Bouwen in Leiden, 1994-2015

Bouwen in Leiden – Recensie

RAP leiden

Bouwen in Leiden - RAP Leiden Recensie

De leemte van Leiden is opgevuld

Recensie van ‘Bouwen in Leiden’ door Bernard de Mol Moncourt (RAP Leiden)

Bouwen in Leiden, 1994-2015 vult een leemte in de literatuur over de recente bouwgeschiedenis van Leiden. Inge van den Berg weet waar zij het over heeft en schrijft op een deskundige en zakelijke manier over deze materie. Waar nodig geeft zij heldere en beknopte uitleg van gebruikte vaktermen. De vormgeving van het boek is fraai. Tekst, foto’s en schetsen zijn op een evenwichtige manier weergegeven. Bouwen in Leiden is een belangrijk boek vanwege zijn onderwerpkeuze, zijn mooie vormgeving en bovenal zijn deskundige inhoud.

De auteur heeft ervoor gekozen om deze publicatie in te delen in vier tijdsblokken. Daar is op zich niks op tegen, als de keuze van die blokken en de inhoud ervan gerechtvaardigd worden. Ik loop de blokken langs.

Tijdsblok 1

Blok 1 beschrijft de voorgeschiedenis, de annexaties en uitbreidingsplannen van Leiden vanaf de 19e eeuw, het bereiken van zijn fysieke grenzen, het einde van de ondercuratelestelling door de Rijksoverheid in 1993 en het eerste structuurplan voor de stad als geheel, ‘Boomgaard van kennis’, uit 1995. Daarna worden in chronologische volgorde belangrijke ontwerpen uit de periode 1994 tot 1999 behandeld. Dat gebeurt vakkundig, helder en beknopt. Waar nodig wordt kort de voorgeschiedenis van een ontwerp geschetst.

Om Blok 1 in 1994 te laten beginnen is op zich niet gek gezien het bovenstaande. De reden 1999 als einde van dit blok te markeren blijft wat onduidelijk.

Tijdsblok 2

Dit tijdsblok behandelt de periode 2000 tot 2004. Het opent met de behandeling van het Wijkontwikkelingsplan Noord uit 1999. Dat plan is op zich van groot belang, maar het gaat wel over Leiden Noord, niet over Leiden als geheel. Dat laatste was de opzet van het boek. Hier wringt iets, tenzij je er van uitgaat dat dit plan voor Leiden Noord bepalend is geweest voor de ontwikkeling van Leiden als geheel na 2000, maar dan zou je dat aannemelijk moeten maken, wat niet gebeurt. Hiermee krijgt de cesuur van het jaar 2000 iets arbitrairs.

De auteur behandelt in Blok 2 in chronologische volgorde de ontwerpen uit de periode 2000-2004. Dat doet ze weer op een goede en deskundige manier.

Tegelijkertijd kiest ze ervoor om het algemene onderwerp ‘renovatie’ (renovatie/restauratie/transformatie) in dit blok onder te brengen. Mij is niet duidelijk waarom dat onderwerp in de periode 2000-2004 wordt ondergebracht. Is renovatie een verschijnsel dat bij uitstek in die periode plaatsvindt? Dat wordt niet beargumenteerd. Nog sterker, de auteur behandelt hier diverse renovaties uit de periode 2004 tot 2016.

Bij de belangrijke renovatie van het Kamerlingh Onnesgebouw in 2004 merkt de auteur op dat deze renovatie wordt gevolgd door ‘verscheidene initiatieven in het kader van de transformatie of renovatie/restauratie in de binnenstad”(p. 79). Mijn vraag is dan: Is dat toeval? Volgt het een uit het ander? Die vragen worden niet beantwoord.

Misschien is er geen duidelijke reden of is het domweg nog niet bekend, maar in dat geval kan renovatie beter uit de blokkenstructuur worden gehaald en ondergebracht in een apart hoofdstuk.

Tijdsblok 3

Blok 3 behandelt de periode 2005-2009. Naast een goede heldere bespreking van de ontwerpen uit deze periode behandelt de auteur de Hoogbouwvisie uit 2007. Dit is een belangrijk document dat betrekking heeft op de gehele stad en een link heeft met het einde van de annexaties. Leiden loopt tegen zijn fysieke grenzen aan en kan alleen nog maar de hoogte in (of ondergronds).

De projecten zijn ook hier uitstekend beschreven door Inge van den Berg. Zij heeft terecht veel ruimte gereserveerd voor belangrijke uitbreidingen van de universiteit en voor Nieuw Leyden en de vrij unieke schaal waarop in deze binnenstadlocatie in vrij opdrachtgeverschap is gebouwd. In ditzelfde blok wordt het onderwerp ‘onderwijsgebouwen’ uit de periode 2008-2016 behandeld. Aangezien deze chronologie afwijkt van die van Blok 3 verdient dit boeiende hoofdstuk een aparte plaats buiten de hoofdblokkenstructuur.

Tijdsblok 4

Dit laatste blok beslaat de periode 2010-2014 en vanaf 2015 de toekomst in. De afbakening van het jaar 2010 is hier toch ook weer ietwat onduidelijk.

In dit blok wordt de ontwikkelingsvisie ‘Leiden, Stad van Ontdekkingen’ uit 2004 behandeld. Deze visie verdient terecht een plaats in de moderne Leidse bouwgeschiedenis. Een aantal bezwaren die ik bij de andere blokken heb genoemd gaan ook hier op. Ik ga hier verder niet op in.

Misschien kun je in grote lijnen zeggen dat het boek de periode behandelt tussen het einde van de annexaties van grondgebied en het bouwen in de hoogte en ondergronds.

Kenmerkend voor Leiden in de afgelopen twintig jaar vind ik ook de overgang van Industriestad naar Kennisstad. De auteur verwijst er op diverse plekken naar. Deze twee parameters vormen wellicht een heldere indeling. Misschien kan Inge van den Berg zich daar eens over buigen. Ik hoop het maar.

Bouwen in Leiden voorziet in een leemte in de literatuur over de recente bouwgeschiedenis van Leiden. De deskundigheid van de auteur staat als een paal boven water. Een alfabetisch geordend overzicht van de gebruikte vaktermen aan het eind van het boek zou behulpzaam kunnen zijn. De indeling van het boek behoeft herziening. Bouwen in Leiden van Inge van den Berg verdient dat.

 

Reactie van auteur & uitgeverij

Reactie van auteur Inge van den Berg en Uitgeverij De Muze op bovenstaande recensie.

In zijn overigens lovende recensie van Inge van den Bergs Bouwen in Leiden valt Bernard de Mol Moncourt verschillende malen over de indeling in tijdsblokken van het boek. Een indeling die volgens de Mol niet wordt gerechtvaardigd. Wij delen zijn kritiek niet en willen daarom met plezier verduidelijken waarom de indeling is zoals ze is.

Laten we vooropstellen dat het indelen van een boek in hoofdstukken vrijwel altijd iets arbitrairs heeft, het is immers de keuze van de auteur en die bepaalt wat wanneer aan de orde komt. In het geval van Bouwen in Leiden is er bewust voor gekozen om de 22 jaar die het boek beslaat (1994-2015) chronologisch in jaren onder de aandacht te brengen en dit onder te verdelen in vier tijdsblokken. Dit leidde tot twee blokken van zes en twee van vijf jaar. In de blokken van vijf jaar gaf dat de ruimte om een tweetal onderwerpen dat aparte aandacht verdient onder te brengen. Zo blijft het boek inhoudelijk en in de vormgeving mooi in evenwicht.

Voorafgaande aan elk tijdsblok is een visie van de Gemeente Leiden over de stad of een deel van de stad toegevoegd die in de betreffende periode is vastgesteld of herzien. Deze visies geven inzicht in de gewenste ontwikkeling van de stad. Zo is het document waarin het Wijkontwikkelingsplan van Noord is vastgesteld, verschenen in 2000 en dus opgenomen in Blok 2. De visie ‘Leiden Stad van Ontdekkingen’ uit 2004 is herzien in 2012 en om die reden opgenomen in Blok 4.

Dat de renovatie in een apart hoofdstuk aan het eind van blok 2 (van 2000 tot 2004) wordt ondergebracht is logisch. Immers het eerste grote renovatieproject -het Kamerlingh Onnes Lab tot Kamerlingh Onnes Gebouw- kwam gereed in 2004. Of het toeval is of wellicht de tijdgeest, dat hierna nog een groot aantal markante panden in de binnenstad is gerenoveerd of getransformeerd, is mogelijk interessant om nader uit te zoeken, maar niet noodzakelijk binnen het bestek van dit boek.

Op een vergelijkbare manier is de keuze gemaakt om aan het eind van blok 3 (van 2005 tot 2009), in het kort diverse onderwijsgebouwen gegroepeerd onder de aandacht te brengen en te behandelen. Het is namelijk opvallend hoeveel er in Leiden sinds 2006 (onderwijsgebouw LUMC) voor het onderwijs is gebouwd. Vandaar een weloverwogen keuze om een kort totaalbeeld in dit betreffende tijdsblok onder te brengen, met inbegrip van en verwijzing naar verdere uitwerkingen van de hierna opgeleverde onderwijspanden.

Kortom, de suggestie van de recensent om de indeling te herzien, laten we graag voor zijn rekening.

Het idee om een register van vaktermen op te nemen, hebben we tijdens het schrijven zeker overwogen. Uiteindelijk hebben we besloten om dat niet te doen en ervoor te kiezen om vaktermen uit te leggen bij de keer dat ze worden gebruikt, zoals ook aangegeven wordt in de recensie. Aan het eind van het boek is een korte toelichting, ondersteund met schetsen, opgenomen die uitleg geeft over benaming van gebouwen en het gebruik hiervan. Mocht blijken dat er bij lezers een duidelijke behoefte is om aan deze geschetste uitleg een dergelijk register toe te voegen, dan zal dat bij een volgende druk worden opgenomen.

Inge van den Berg – auteur
Marianne Oosterop – uitgever

Deze pagina delen met je vrienden? Graag!